
Jurisprudentie
BF1064
Datum uitspraak2008-08-27
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
ZaaknummersAWB 05/379
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
ZaaknummersAWB 05/379
Statusgepubliceerd
Indicatie
Regeling dierlijke EG-premies
Uitspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 05/379 27 augustus 2008
5125 Regeling dierlijke EG-premies
Uitspraak in de zaak van:
A, te B, appellant,
gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg,
tegen
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
gemachtigde: mr. A. Suzen-Alkan, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.
1. De procedure
Appellant heeft bij brief van 1 juni 2005, bij het College binnengekomen op diezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 21 april 2005.
Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen twee besluiten van 18 mei 2004 inzake slachtpremie en stierenpremie over het jaar 2003 gedeeltelijk gegrond verklaard.
Bij brief van 4 juli 2005 heeft appellant het beroep van gronden voorzien.
Verweerder heeft bij besluit van 26 september 2005 nader uitvoering gegeven aan het besluit van 21 april 2005.
Bij besluit van 21 februari 2007 heeft verweerder de besluiten van 21 april 2005 en 26 september 2005, ingetrokken en opnieuw op de bezwaren tegen voornoemde besluiten van 18 mei 2004 beslist.
Bij brief van 5 april 2007 heeft appellant op het besluit van 21 februari 2007 gereageerd.
Op 15 juni 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2008, waarbij partijen, appellant in persoon en bij monde van zijn gemachtigde, en verweerder bij monde van zijn gemachtigde, hun standpunten nader hebben toegelicht.
2. De beoordeling van het geschil
2.1 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
Appellants bedrijf heeft sinds 2002 twee bedrijfslocaties, een in C met UBN * en een in B met UBN **.
In 2003 heeft appellant slachtpremie voor 337 runderen en stierenpremie voor 180 runderen aangevraagd.
Op 14 april 2003 is op het bedrijf van appellant een controle ter plaatse uitgevoerd. Daarbij is vastgesteld dat 54 runderen waarvoor stierenpremie was aangevraagd en die volgens het I&R-register op de bedrijfslocatie te C met UBN * aanwezig hadden moeten zijn (hierna: de 54 aangevraagde runderen), in werkelijkheid op de bedrijfslocatie te B met UBN ** aanwezig waren. Ook ten aanzien 71 andere runderen, waarvoor geen premie was aangevraagd (hierna: de 71 niet-aangevraagde runderen), is vastgesteld dat zij niet op de in het I&R-register geregistreerde bedrijfslocatie aanwezig waren, maar op de andere bedrijfslocatie van appellant.
Bij besluiten van 18 mei 2004 heeft verweerder aan appellant € 20.901,12 aan slachtpremie en € 16.231,62 aan stierenpremie toegekend. Voor de 54 aangevraagde runderen is geen premie toegekend. Voorts hebben de bevindingen inzake de 54 aangevraagde runderen en de 71 niet-aangevraagde runderen geleid tot kortingen van respectievelijk 23,32% en 20% op de premies voor de runderen die wel aan de voorwaarden voldeden.
De tegen deze besluiten gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 21 april 2005 gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat appellant voor 70 van de 71 niet-aangevraagde runderen heeft voldaan aan de I&R-voorwaarden. Als gevolg daarvan is het op de stierenpremie en slachtpremie toegepaste kortingspercentage ten aanzien van de niet-aangevraagde runderen verlaagd van 20% naar 0,76%.
Bij besluit van 26 september 2005 heeft verweerder, uitvoering gevend aan het besluit van 21 april 2005, het kortingspercentage verder verlaagd tot 0,43% en aan appellant aanvullend € 5.116,09 aan slachtpremie en € 3.970,67 aan stierenpremie toegekend.
Naar aanleiding van het beroep van appellant heeft verweerder bij besluit van 21 februari 2005, onder intrekking van de besluiten van 21 april 2005 en 26 september 2005, opnieuw op de bezwaren tegen de besluiten van 18 mei 2004 beslist. Daarbij is, anders dan in het besluit van 21 april 2005, geconcludeerd dat voor alle 71 niet-aangevraagde dieren niet aan de I&R-voorwaarden is voldaan en dat appellant recht heeft op een hoger bedrag aan slachtpremie. Als gevolg daarvan heeft verweerder het bij besluit van 18 mei 2004 toegekende bedrag aan stierenpremie gehandhaafd, van appellant de bij besluit van 26 september 2005 toegekende aanvullende stierenpremie van € 3.970,67 teruggevorderd en aan appellant een aanvullend slachtpremiebedrag van € 2.472,17 toegekend.
2.2 Appellant heeft in beroep, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.
De 54 aangevraagde en 70 niet-aangevraagde runderen die bij de controle niet op de in het I&R-register geregistreerde bedrijfslocatie aanwezig waren, maar op de andere bedrijfslocatie van appellant, zijn nimmer verplaatst. Hij heeft nimmer opdracht gegeven de runderen te registreren op het andere UBN. De wijzigingen zijn door het I&R-bureau of door LASER aangebracht.
Ten aanzien van het rund met ID-code ***, waarvoor geen aanvoermelding was gedaan, heeft de verkopende partij, D, een fout gemaakt bij het af- en aanmelden van dit rund. Als gevolg daarvan is een ander rund met een andere ID-code op het bedrijf van appellant gekomen. Dit rund is feitelijk wel degelijk op het bedrijf gekomen en gedurende de hele aanhoudperiode op het bedrijf gebleven.
Dat de hiervoor bedoelde runderen niet op het UBN zijn aangetroffen waar ze volgens het I&R-register zouden verblijven, betekent niet dat niet aan de regels is voldaan. Immers, ingevolge artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 dienen verplaatsingen van runderen van en naar het bedrijf te worden gemeld. Zowel het UBN behorend bij de bedrijfslocatie C als het UBN behorend bij de bedrijfslocatie B behoort tot het bedrijf van appellant. Verplaatsingen tussen locaties van hetzelfde bedrijf hoeven niet te worden gemeld. De runderen hebben gedurende de gehele aanhoudperiode op het bedrijf van appellant verbleven.
Voorzover deze interpretatie onjuist is, gaat het bij de 54 aangevraagde en de 71 niet-aangevraagde runderen om kennelijke fouten. Appellant moet de gelegenheid worden geboden deze kennelijke fouten te herstellen.
Verweerder heeft ten onrechte voor vijf runderen die bij het slachthuis E zijn geslacht, geen slachtpremie toegekend. Dat E de I&R-verplichtingen niet is nagekomen, kan appellant niet worden verweten. Uit het bedrijfsregister van CR-Delta blijkt dat de slacht wel degelijk aldaar heeft plaatsgevonden.
De toegepaste kortingen zijn buitensporig en in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Het besluit van 21 februari 2007 is genomen in strijd met het verbod van reformatio in peius, omdat dit besluit voor hem nadelig is ten opzichte van de besluiten van 21 april 2005 en 26 september 2005.
2.3 Het College stelt voorop dat zowel het besluit van 26 september 2005 als het besluit van 21 februari 2007 besluiten zijn als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, Awb wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen deze besluiten.
2.4 Niet gebleken is dat appellant rechtens nog belang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen de vervangen besluiten van 21 april 2005 en 26 september 2005. Het beroep gericht tegen deze besluiten dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2.5 Het College oordeelt vervolgens over het besluit van 21 februari 2007.
2.5.1 De omstandigheid dat bij de controle is vastgesteld dat een aantal runderen niet op de in het I&R-register geregistreerde bedrijfslocatie aanwezig was, is volgens appellant te wijten aan wijzigingen die door het I&R-bureau of door LASER in het I&R-register bij deze dieren zijn aangebracht. Deze grief kan reeds niet slagen, omdat appellant het bewijs hiervoor niet heeft geleverd.
2.5.2 Ingevolge artikel 10, eerste lid, laatste volzin, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 moet het bedrijfshoofd, indien een dier gedurende de aanhoudperiode naar een andere plaats wordt overgebracht, de bevoegde instantie daarvan vooraf schriftelijk in kennis stellen.
De nationale regelgever heeft ten behoeve van een effectieve controle van dierpremieaanvragen en in het belang van de bestrijding van dierziekten en de bescherming van de voedselveiligheid gekozen voor de registratie van bedrijven en bedrijfsonderdelen aan de hand van het UBN-systeem. Gegeven dit UBN-systeem dient de verplaatsing van een rund op de bedrijfslocatie met het ene UBN naar de bedrijfslocatie met het andere UBN als een meldingsplichtige verplaatsing in de zin van artikel 10, eerste lid, laatste volzin, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 te worden aangemerkt.
Nu vaststaat dat de 54 aangevraagde runderen en de 70 niet-aangevraagde runderen ten tijde van de controle niet op de in het I&R-register geregistreerde bedrijfslocatie, maar op de andere bedrijfslocatie aanwezig waren, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat voor deze dieren niet aan de registratievereisten is voldaan.
2.5.3 Tijdens de controle is voorts een rund met ID-code *** aangetroffen, waarvoor geen aanvoermelding op het bedrijf van appellant was gedaan. Dit brengt mee dat ook voor dit dier niet aan de voorwaarden is voldaan. Dat de verkopende partij een verkeerde aanvoermelding heeft gedaan, kan appellant niet baten. Appellant is zelf verantwoordelijk voor een juiste melding van op zijn bedrijf aangevoerde runderen.
2.5.4 Ingevolge artikel 12 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 kan in geval van een door de bevoegde instantie erkende kennelijke fout, een steunaanvraag te allen tijde worden gewijzigd. Ingevolge artikel 36, vierde lid, laatste volzin, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 is het bepaalde in artikel 12 ook van toepassing op de melding en het registeren van gegevens in het kader van de identificatie- en registratieregeling voor runderen.
De opvatting van appellant dat ten aanzien van de 54 aangevraagde en de 71 niet-aangevraagde runderen sprake is van een kennelijke fout, deelt het College niet.
Van een kennelijke fout kan over het algemeen alleen worden gesproken indien verweerder bij een summier onderzoek bij ontvangst van de aanvraag of de melding had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen of te melden.
Daarvan is hier geen sprake. Er was immers geen enkele reden te veronderstellen dat de gedane aanvoermeldingen onjuist zouden zijn.
2.5.5 Ten aanzien van de vijf runderen die volgens appellant door het slachthuis E zijn geslacht, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het CR Delta bedrijfsregister niet als bewijs van de slacht van deze dieren kan dienen.
2.5.6 De grief van appellant dat de toegepaste kortingen buitensporig zijn en in strijd met het evenredigheidsbeginsel, kan evenmin slagen. De kortingen zijn toegepast op grond van de artikelen 38 en 39 van Verordening (EG) nr. 2419/2001. Verweerder is verplicht deze communautaire regels toe te passen. Deze communautaire regels kunnen, gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake vergelijkbare bepalingen in Verordening (EEG) nr. 3887/92 (arrest van 17 juli 1997, zaak C-354/95, National Farmers Union, Jur. blz. I-4559), niet strijdig worden geacht met het evenredigheidsbeginsel.
2.5.7 Ten aanzien van de grief van appellant dat het besluit van 21 februari 2007 in strijd is met verbod op reformatio in peius, overweegt het College als volgt.
Bij het besluit van 21 februari 2007 heeft verweerder ten aanzien van de slachtpremie een besluit genomen dat gunstiger voor appellant is dan de ingetrokken besluiten van 21 april 2005 en 26 september 2005. Ten aanzien van de stierenpremie is een voor appellant ongunstiger besluit genomen.
Het College is van oordeel dat verweerder bij zijn besluit van 21 februari 2007 ter zake van de stierenpremie niet bevoegd was een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen die voor appellant ongunstiger was dan het besluit van 21 april 2005, zoals gewijzigd en aangevuld bij besluit van 26 september 2005.
Voorzover verweerder van opvatting is dat hij hiertoe op grond van het gemeenschapsrecht verplicht was, omdat de bij besluit van 26 september 2005 toegekende aanvullende stierenpremie van € 3.970,67 onverschuldigd is betaald en onverschuldigd betaalde bedragen ingevolge artikel 49, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 dienen te worden terugbetaald, deelt het College deze opvatting niet. Ingevolge artikel 49, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 is immers de verplichting om onverschuldigd betaalde bedragen terug te betalen niet van toepassing, indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd. De toekenning van aanvullende stierenpremie bij het besluit van 26 september 2005 is het gevolg van het door verweerder bij het besluit van 21 april 2005 uitdrukkelijk ingenomen standpunt dat bij de primaire besluiten ten onrechte is geoordeeld dat voor 70 van de 71 niet-aangevraagde runderen niet aan de I&R-voorwaarden is voldaan. Dat dit standpunt berustte op een onjuiste toepassing van de regels en daarmee de aanvullende stierenpremie onverschuldigd is betaald, kon redelijkerwijs niet door appellant worden ontdekt.
2.5.8 Op grond van het vorenstaande dient het beroep gericht tegen het besluit van 21 februari 2007 gegrond te worden verklaard. Het besluit van 21 februari 2007 dient te worden vernietigd, voorzover daarbij de stierenpremie is verlaagd ten opzichte van het besluit van 26 september 2005 en de daarbij toegekende aanvullende stierenpremie van
€ 3.970,67 is teruggevorderd.
Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien. Gelet op het voorgaande is er immers geen grond tot een ander bedrag aan stierenpremie te komen dan het bedrag dat aan appellant bij het primaire besluit van 18 mei 2004 (€ 16.231,62) en aanvullend bij het besluit van 26 september 2005
(€ 3.970,67) is toegekend. Het College stelt appellants stierenpremie over het jaar 2003 daarom vast op € 20.202,29.
2.6 Het College acht ten slotte termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 Awb. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor de schriftelijke reactie van 5 april 2007 op het besluit van 21 februari 2007 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).
3. De beslissing
Het College:
- verklaart het beroep gericht tegen de besluiten van 21 april 2005 en 26 september 2005 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 februari 2007 gegrond;
- vernietigt het besluit van 21 februari 2007, voorzover daarbij de stierenpremie is verlaagd ten opzichte van het besluit van 26
september 2005 en de daarbij toegekende aanvullende stierenpremie van € 3.970,67 is teruggevorderd;
- stelt de stierenpremie over 2003 voor appellant vast op € 20.202,29 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van
het vernietigde gedeelte van het besluit van 21 februari 2007;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 805,-- (zegge: achthonderdvijf euro), onder
aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;
- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,-- (zegge:
honderdachtendertig euro) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. E.J.M. Heijs en mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op27 augustus 2008.
w.g. H.C. Cusell w.g. C.M. Leliveld